Tolerantie

Het tumult zwelt aan door de voordeur van hun eenvoudige, tijdelijke woning dicht bij het havenkwartier. Na een week in een herberg gewoond te hebben, konden ze deze ruimte huren van een koopman die een deel van zijn winsten in vastgoed investeert. Ze konden allebei bij hem werken, John in het magazijn, en Edith in een winkel. Ze hadden geluk gehad: de koopman had hen meteen opgemerkt toen ze wat verloren rondliepen op de markt, en hen gevraagd wat hun plannen waren. Je kon duidelijk zien dat ze vreemd waren in Landspoort, zowel aan hun kleding als hun gedrag, en de koopman was, naar eigen zeggen, zelf ook nog een vreemde hier. Met een gemeenschappelijke achtergrond was er dus meteen een klik, en John vond dat ze het beste maar konden aangrijpen wat zich voordeed, en later uitkijken naar wat anders of beters als dat nodig is. Volgens Edith was de koopman gewoon erg handig met het beïnvloeden van mensen. Hun behoefte om zich niet zo vreemd te voelen had hij handig gebruikt om twee goedkope werkkrachten te krijgen en tegelijk een dure woning te verhuren. Ze hebben immers nog geen idee wat normale bedragen zijn in een  stad als Landspoort. Maar aan de andere kant: ze zijn even uit de brand, en kunnen zich rustig verder orienteren.

John stapt naar buiten om te kijken waar het lawaai vandaan komt. In het optrekkende schemer zijn in de verte vanuit de stad toortsen te zien, en een groep mensen met borden en spandoeken. Ze roepen en zingen, maar het ziet er niet vrolijk uit, eerder dreigend. Hun buurman, een wat oudere en aardige man, komt bij hen staan, en schudt meewarig zijn hoofd. “Het is even rustig geweest,” zegt hij, “maar blijkbaar begint het weer opnieuw! ” Edith kijkt hem vragend aan. “Hoezo? Wat is er aan de hand dan? ” Ook John wil dat wel weten. Er gebeurt zò veel in de stad. De buurman haalt zijn schouders op, alsof hij er ook niets aan kan doen. “Ze zeggen dat het opkomende vreemdelingenhaat is. Gericht op mensen die hier hun geluk komen zoeken. Maar dat is niet logisch: deze stad bestaat alleen maar uit vreemdelingen, zo is hij ooit gesticht.” John herinnert zich de uitleg van Wil nog, hoe kooplieden, handelaars, zeevaarders en werklui zich hier gevestigd hebben, en waarom. “Ik dacht dat deze stad zo tolerant was? ” De buurman lacht, en antwoordt: “Ja, en dat is ook meteen het probleem. Iedereen komt daarop af, zo van ‘ hier overleven we wel‘. Maar dat is helemaal niet zo vanzelfsprekend. Alleen als je wat te bieden hebt, iets van waarde toevoegt waar de mensen uit de stad wat aan hebben, dan word je met open armen ontvangen. Dat kan je arbeid zijn, en een talent waaraan hier gebrek is, of je kunt simpelweg veel geld uitgeven. Maar als je alleen komt profiteren van de tolerantie… tja, dan blijkt die niet te bestaan! ” Edith is verbaasd. “Hoe kun je hier profiteren van tolerantie? ” vraagt ze nieuwsgierig. De buurman legt uit dat, om de stad niet te laten verpauperen, er hulpprogramma’s zijn voor mensen die niet in hun bestaan kunnen voorzien. Het is dus wel een beetje uit eigenbelang dat de burgers allemaal een belasting betalen om dit mogelijk te maken. Oorspronkelijk waren die programma’s bedoeld voor stadsbewoners waarvan de families al generaties lang hier wonen. In elke gezin is wel iemand die niet zo succesvol is, en een beetje hulp van de gemeente ontlast dan de familie. Maar nu trekken deze programma’s van heinde en verre mensen aan die in de problemen zitten. Dat gaat de draagkracht van de stad wat te boven, en daarmee wordt het oorspronkelijke doel niet meer nageleefd. “Veel mensen zijn van goede wil, net als jullie, en weten van aanpakken. Helaas zijn er ook steeds meer profiteurs en oplichters die zich voordoen als hulpeloze burger, en dat jarenlang ook blijven. Dat is natuurlijk niet normaal, maar hoe kun je dat weten als iemand aan de deur klopt? ” John bedenkt dat hij en Edith helemaal niet meteen ergens om hulp zijn gaan vragen. Dat zou niet in hun hoofd opkomen. Wellicht moet je achterdochtig zijn als iemand dat wel doet. Maar aan de andere kant: hoe controleer je een verhaal dat iemand al maanden geen succes heeft? Eerst een tijdelijke opvang en een lening regelen om na te gaan of iemand echt werk maakt van een nieuw leven in de stad? En zo niet… wegsturen? En als ze terugkomen? Moet je dan bijhouden wie er eerder geweest is? Terwijl hij erover nadenkt groeit het probleem met het aantal mensen wat elke maand ‘verwerkt’ moet worden.

De meute is nu in hun buurt gekomen, op weg naar de haven. Ze gaan met z’n drietjes in hun voordeur staan. “Weg met de vreemdelingen! ” en “Landspoort is van ons! ” wordt er gescandeerd. Spandoeken over vrijheid en cultuur wapperen in de zachte wind. “Geef ons onze banen terug! ” wordt er geroepen, en John kijkt zijn buurman verwonderd aan. Die zucht even. “ Sommige vreemdelingen vinden makkelijker werk dan de inwoners. Dat komt enerzijds doordat ze minder geld verwachten, maar anderzijds ook door opleiding en bereidwilligheid. Veel jongeren zijn verwend geraakt door het succes van hun ouders en voorouders. Het lijkt alsof alles vanzelf komt aanwaaien, en zo gedragen ze zich ook. Hun ouders hebben vroeger veel doorstaan en hard moeten werken. Veel vreemdelingen laten ook een hard leven achter zich, en hebben nog de moraal van de vroegere generaties. Ze pakken van alles aan, en dat is dus erg bedreigend.” Edith lijkt geamuseerd. “Dus wat je zegt is dat die vreemdelingen de jonge generatie hier als het ware een spiegel voorhoudt, en hen confronteert met dingen die ze liever niet willen weten? Maar om dan zò te reageren? Dat lijkt me toch overdreven! ” De buurman kijkt ernstig en bezorgd. “Door alle verworvenheden komen vreemd genoeg zeer primitieve angsten en reacties naar boven. Die mensen“, en hij wijst op de menigte, “die vinden dat ze de oudste rechten hebben. Dat ze door hun vroegere succes ver verheven zijn boven anderen die in hun ogen mislukt zijn en daarom hierheen komen. Dat is de reden waarom ze vinden dat ze mogen oordelen en straffen. Maar die reactie is erg behoudend en primitief. Ze vergeten de frisse wind die kan gaan waaien, de vernieuwing die nieuwkomers met zich meebrengen. Ze zijn vergeten dat de grootste successen bereikt zijn door mensen die ergens niet tevreden over waren, en daadkrachtig aan een verbetering of verandering werkten. De enige oplossing die zij kennen is om iedereen weg te sturen. Gelukkig weet het stadsbestuur dat dit de doodsteek zou zijn voor deze stad. Mensen zouden haar mijden, handelaars en zeevaart zouden haar links laten liggen en binnen een tiental jaren zou deze stad nog maar een schim zijn van wat ze nu is.

Succes ontstaat uit onvrede.

De meute is voorbijgetrokken. Ze halen opgelucht adem. Geen grote problemen, maar wel heel veel mensen die zich mee laten slepen door zo’n massahysterie. “Weet je, ” zegt de buurman ter afscheid, “ik zag mensen in die groep die ik overdag heel anders meemaak. Dan zijn ze vriendelijk en open, en helemaal niet zo agressief als vanavond. Zo’n optocht is niet het probleem. Het gevaar zit ‘m in die ene ambitieuze politicus die deze massa gebruikt voor zijn eigen gewin. Die loze kreten gebruikt om er beter van te worden, door sympathie te wekken en beloftes te doen die niet realistisch zijn. Helaas zijn er zo een paar, je zult ze nog wel opmerken de komende tijd. ” Hij wuift kort, en wenst John en Edith een goede nachtrust toe. John denkt terug aan het dorp waar ze vroeger woonden. Daar werden vreemdelingen verwelkomd. Daar had iedereen een rol en een plaats, en kon genieten van het goeds dat dorp en omgeving te bieden hadden. Niemand vond het erg om dat alles te delen. Deze stad lijkt echter grimmiger, en hij beseft dat Wil hen hiervoor gewaarschuwd heeft. Hij sluit onbewust alles extra goed af, en gaat in gedachten verzonken de woonkamer in.